"Der goede dag! Prlwytzkofski is der naam. Met ener z in der midden."

Gelukkig was er niemand die aandacht aan hem schonk, want manieren
zijn uit de tijd, zoals iedereen weet.

"Genoeg!" riep heer Ollie met overslaande stem. "Ik weiger in mijn
eigen smaakvolle omgeving beledigd te worden door rood gepraat."

"Dag, jonge vriend. Het is mooi van je, dat je me eens komt opzoeken
in mijn eenzaamheid waarin de dagen zich aaneenrijgen als de kralen van
een vermolmd snoer."

"Kijk", sprak heer Ollie, "ik was uw verjaardag natuurlijk niet echt
vergeten, want ik had het op een papiertje geschreven, dat ik even had
weggelegd, zodat het door mijn hoofd is gegaan."

"Het is een kwestie van pluis of niet pluis. Ik heb dat direct al
aangevoeld, als heer zijnde."

"Ik weet het niet...", sprak heer Ollie dromerig. "Het is mij vreemd
te moede. Soms denk ik, dat ik weet wat het is; maar nee. Als ik dan even
nadenk, weet ik het niet, als je begrijpt wat ik bedoel."

"Mijn horloge is blijven staan omdat ik het niet opgewonden heb
voordat ik ging slapen, omdat ik niet ben gaan slapen. Hoe kan ik op zo'n
manier mijn overuren bijhouden?"

"Het is herfst, als u mij toestaat," zei de knecht. "De vogels trekken
en de gedachten borrelen; het is allemaal heel betreurenswaardig."

"Groot is mooi en veel is lekker, zei mijn goede vader altijd, en daar
houd ik mij aan. ..."

"Ik vind dit hl dun van u!" ... "Men kan een heer niet ongestraft
naar het cachot voeren als een misdadiger."

"Parbleu," sprak hij "Als dat eh... Bommel niet is! Ge praat naar ge
verstand hebt, amice! .."

"De eetlust is me vergaan," ... "Jouw galligheid slaat me op de maag.
..."

"... Men denkt wel eens, dat ik een oppervlakkig leven leid. Ikzelf
ook trouwens. Maar men vergist zich; dat zal ik ze laten inzien."

"Der wetenschap staat nietmaals stil, ..."


"Wat maakt u daar voor ener stinkerd?" ... "Is dat der salpeterzure
natron, die ik u beopdracht heb?"

"Chinasalpeter?" ... "Dat is ener ongehoorder domkopperij!"


"Der wnzin! Men verwacht, dat wij ener wetenschappelijker
kunstelijker drek vaardig maken - en u staat daar te hampelen met politische
fopperij. ..."

"... Gaat u rap aan der arbeid, bid ik u. En deugdzaam."


"Praw!" ... "U bent misgelukt als wetenschappelijker! U bent ener
weteniets. Ik verschaam mij over u. Ik ontslaat u. Maakt u zich voort, bid
ik u. Krankelender mislinger!"

"Ach, een heer weet zelf niet waartoe hij in zijn toorn in staat is."


"Goede middag," sprak hij. "Mijn naam is Bommel. Heer Olivier B.
Bommel. Ik kom van verre om jullie voorspoed en voedsel te brengen, die ik
met grote ontberingen heb beschermd, zodat honger en dorst mij plagen.
..."

"Het is prettig om een goed doel in het leven te hebben", sprak hij
tot zichzelf. "Wat is er beter dan welvaart aan achtergebleven volkjes te
brengen en ze duidelijk te maken wat ze missen zonder dat ze het weten?
..."

"Fi donc!" prevelde hij. "Welk een schouwspel! Hoe nu, Bommel? Zijt ge
uit uw stamcaf geworpen?"


"... de aanblik van dit onbeduidende volkstype moet hem wel een gruwel
zijn."


"Tom Poes liep die morgen van de vroege lente te genieten en hij
meende dat het leven nog niet zo kwaad was."


"... Al te lang is deze stakker kwalijk bejegend door ongemanierde
gasten. Ik zal hem bewijzen, dat er nog ruimdenkende heren bestaan."


"Dat is de platste burgermanskop die ik ooit gezien heb!"



"Hij had de meest grofstoffelijke kop die ik ooit gezien heb, ..."



"Geen nieuwbouw. Een extra-ordinaire affaire!"



"Ik zou er wel eens uit willen. Naar het zuiden of zo. Hier is niets
te beleven en thuis is het ook niet alles. Mijn vrouw kan soms eh... wat
moeilijk zijn, h?"

"Goedemorgen mevrouw," ... "Neem me niet kwalijk. Ik bedoel, ik was
ergens anders met mijn gedachten al weet ik ook niet precies waar."


"Fi donc!" ... "La belle et la bte!"



"Fi donc!" ... "Hoe gaarne had ik die bejaarde snoodaard aan mijn
rapier geregen!"


"Par exemple! Er bestaan weerzinwekkende toestanden in de
maatschappij, waartegen onze verslapte regering niet opgewassen is."


"Dit is opzet! Kwajongenswerk! Men boomt mij dwars, dat is duidelijk!"



"Wij, ambtenaren, zijn de kwaadsten niet, al denkt men dat soms."



"Dat is ja ener domzinnige opbemerking!"



"Ik geloof dat ik voorlopig iets geestelijks ga doen, voor mijn
gedachtenleven. Maar wat?"


"Het zilt is je lelijk op het vet geslagen, makker," ...



"Het is vleselijk!" klaagde hij met vochtige stem. "'t Leven van "en
knutselaal is al moeielijk genoejg... en dan nojg uijtgelachen wojden
ook!"

"Het NU, het Nu is het Heden. Maar wat is het Heden? Zo gezegd zo
vergleden. Verleden." ... "Vergleden heden is verleden... "


... de dichter had reeds de blik naar binnen geslagen, en de hand
fladderend uitgestrekt.


"Ik heb gepoogd de flits van het Nu te vangen uit de baaierd van
ogenblikken, die ons omringen."


"... Er zijn grenzen, zelfs aan platheid."



"Hoe krijg je het in je denkpap om zoiets te doen?"



"We moeten het breed zien," ... "In dit land is geen plaats voor
kunst."